“De witte jas”

weblog van een arts-in-opleiding…

Bewuste keus?! 9 juli 2008

Ingedeeld onder: Reflectie — Maarten @ 22:43

Het einde is nabij, nog zes weken als co-assistent en dan mag ik de artseneed afleggen en mijzelf dokter noemen. Zes jaar basisopleiding heb ik er dan opzitten en het wordt tijd voor de volgende stap. Na de co-schappen zijn er grofweg drie mogelijkheden om verder te gaan:

1. werken als arts-assistent niet in opleiding in een ziekenhuis

2. solliciteren voor een opleidingsplek tot specialist

3. solliciteren voor de huisartsenopleiding

Toen ik begon aan de studie geneeskunde wilden de meeste medestudenten specialist gaan worden. Chirurgie, kindergeneeskunde, gynaecologie en interne geneeskunde staan traditioneel hoog op het verlanglijstje van medisch studenten. Om in aanmerking te komen voor een opleidingsplaats voor een van deze specialismen moet je dan ook een felle strijd uitvechten met je concurrent-mede-studenten. Onderzoek doen, vriendjes worden met specialisten, of hard  werken als assistent zijn methoden om uiteindelijk die felbegeerde opleidingsplek te bemachtigen. Eenmaal in opleiding tot specialist volgt dan nog een periode van 4-6 jaar waarin je wordt voorbereidt op het werk als specialist. Na zes jaar studeren dus nogmaals een fors aantal jaren ploeteren en hard werken voordat je uiteindelijk specialist en dus eigen baas bent. Ondanks dit vooruitzicht zei bijna iedereen tijdens de studie dat ze specialist wilden worden. Voor de huisartsenopleiding, van huis uit toch een beetje het ondergeschoven kindje (hoewel er natuurlijk veel meer huisartsen dan specialisten zijn), leken maar weinig medestudenten warm te lopen. Minder status, minder verdiensten, veel ‘zeurende patiënten; voor velen van ons was het destijds niet de droombaan die we na gingen streven!

 

Maar het laatste halfjaar zie ik een kentering. Het lijkt alsof iedereen murw is geslagen door de co-schappen en de lange studieduur. Jaargenoten die al eerder klaar waren en vol energie begonnen aan hun verdere carrière in het ziekenhuis zie ik afhaken. En ook bij de mensen die de komende maanden met mij gaan afstuderen hoor ik het vaak: “ik wil graag huisarts worden”.

 

Het ideaal van specialist worden lijkt te vervagen; voor mijn gevoel wil op dit moment het merendeel van de mensen om mij heen huisarts worden! Een boeiende constatering die mij doet nadenken waar deze keuze-verandering vandaan komt?

Deels heeft dit denk ik te maken met het grote percentage vrouwen dat momenteel geneeskunde studeert. Rond de tijd van afstuderen naderen velen de 30 en wordt er serieus samengewoond en nagedacht over de toekomst. Carrière maken in het ziekenhuis, kinderen krijgen, beide combineren, of toch parttime ergens gaan werken? Vragen die een vrouwelijke arts zich ongetwijfeld stelt. En aangezien de opleiding tot huisarts, en later ook de werktijden, beter te combineren zijn met een gezin, kiezen veel vrouwen voor het huisartsenvak. Tot zover niets nieuws, maar ik zie ook steeds meer mannen die bewust voor het huisartsenvak kiezen.

 

Misschien zit in het woord “bewust” wel de antwoord op mijn vraag waarom ineens zoveel mensen huisarts willen worden. We leven in een tijd waarin bewustwording, verantwoording aan jezelf afleggen, duurzaamheid en authenticiteit sterk gewaardeerd worden. Hard werken, status en veel geld verdienen lijken niet de belangrijkste drijfveren te zijn bij onze beroepskeuze. We willen het liefst genieten; tijd voor vrienden, reizen, kinderen, jezelf, een goed boek. Liever iets minder verdienen en wat meer vrije tijd, dan 80 uur werken en een dikke bankrekening.

 

Ik ben benieuwd wat dit gaat veranderen in de ziekenhuiscultuur, die nu nog gedomineerd wordt door hardwerkende, alles opofferende specialisten? Specialisten die vol passie en overgave hun leven in dienst stellen van de geneeskunde. Specialisten die dag-en-nacht dokter zijn en bereid zijn hier privé offers voor te brengen. Worden zij langzaam verdreven door een nieuwe generatie artsen die niet meer heel hun leven in het teken van de geneeskunde stellen? Artsen die hun werk ook echt als werk gaan zien en die na sluitingstijd vooral hun eigen leven willen leven? Is het ziekenhuis gebaat bij de aloude hardwerkende/overwerkte (?) specialist, of meer bij een generatie jonge, minder passionele, maar uitgeslapen dokters in balans? De tijd zal het leren! Maar in ieder geval komen we eraan, de nieuwe generatie ‘zen-dokters’…

 

De patient weer mens maken 21 juni 2007

Ingedeeld onder: Reflectie — Maarten @ 23:00

Op zoek naar bezieling en inspiratie tijdens mijn co-schappen

“De KNO-arts hangt vermoeid zuchtend, onderuit in zijn stoel. Nog een hele week te gaan voor het weer weekend is, lijkt zijn lichaamstaal te zeggen. Het is maandagmiddag 17:00 uur en we hebben de hele dag samen poli gelopen. Aan het eind van de dag hebben we 58 patienten gezien, vertellen de streepjes die ik heb gezet in mijn aantekeningenboekje. Ik had genoeg tijd om patienten te tellen, want hoewel ik over ‘wij’ spreek, was mijn rol tijdens het spreekuur niet groter dan schuin achter de KNO-arts op een krukje te zitten, en 58 keer min of meer hetzelfde verhaal aan te horen. De variatie op het spreekuur was niet groot; otitis media, ouderdoms-doofheid en vergrote amandelen kwamen voorbij.
Alle creativiteit en bezieling lijkt uit de KNO-arts geslagen te zijn. Voor alle problemen heeft hij een standaard verhaal, en telkens als er een patiënt tegenover hem zit, wordt de play-knop ingedrukt om één van de verhalen af te spelen. Inspiratieloze geneeskunde, waarbij aan elk intermenselijk contact voorbij wordt gegaan.”

 

Dit voorbeeld, in deze extreme vorm gelukkig meer uitzondering dan regel, raakt aan de kern van wat mij het meeste is opgevallen tijdens mijn eerste jaar co-schappen. Terugkijkend op dit eerste jaar wordt ik niet vrolijk. Ik heb absoluut veel geleerd over onder andere neurologie, interne geneeskunde en KNO, maar gevoelens van ontevredenheid en gemis overheersen. Op zoek naar inspirerende artsen, emotioneel en betrokken patiëntencontact, een spoortje mede-menselijkheid, kom ik te vaak op een doodlopend spoor uit.

 

Ik ben van mening dat mijn gevoelens van onmacht voortkomen uit de manier waarop de geneeskunde is georganiseerd. De drukte in de wachtkamer en op het spreekuur, targets die gehaald moeten worden, het benaderen van de gezondheidszorg als bedrijf, leiden tot het verlies van intermenselijk contact.

 

Daarbij komt dat de verregaande specialisatie in de gezondheidszorg naar mijn mening de verantwoordelijkheid voor de patiënt als mens wegneemt. Het verantwoordelijkheidsgevoel van veel artsen lijkt niet verder te gaan dan het spreekuur van de betreffende ochtend of middag. De specialist kijkt naar zijn stukje van de puzzel, en als dat stukje op de juiste plaats ligt, dan is de patiënt wat hem betreft gezond. Dat het gezondheidsprobleem van de patiënt daarmee niet is opgehelderd is niet zijn pakkie aan. Voor het verdere welzijn van de patiënt voelt de specialist zich niet verantwoordelijk, dat moet een andere specialist of de huisarts maar doen.

 

Ik verbaas me over dit gebrek aan wil, om er echt te zijn voor een patiënt. De wil om deze als mens te behandelen in plaats van als patient of ziekte. Ik spreek bewust over ‘wil’, want ik heb het idee dat het een kwestie is van keuzes maken. Ook in onze moderne, snelle tijd, moet het mogelijk zijn om menselijk met onze patiënten om te gaan. Het enige dat je hoeft te doen is kiezen voor de patiënt als mens, en niet als een gezondheidsprobleem.

 

Misschien ben ik een verstokte romanticus, maar het lijkt me zo mooi: co-schappen lopen en begeleid worden door een leermeester. Een arts met energie en passie, met bezieling en vuur voor zijn vak en patiënten. Een arts die op de eerste plaats een goed medemens is, dicht bij zijn patiënten staat en rust en tijd voor ze heeft. Een arts ook die je bij de hand neemt, en inspireert door bevlogenheid. Een arts die oog heeft voor je persoonlijke ontwikkeling als jonge dokter en als mens. Helaas ben ik ze (nog) niet tegengekomen, maar wie weet tijdens het tweede jaar van mijn co-schappen. Wordt vervolgt…

 

Tweeduizendzes 1 januari 2007

Ingedeeld onder: Reflectie — Maarten @ 11:28

 

Zondagmiddag 31 december 2006, de laatste uren van het jaar tikken weg en ik zit in de trein van Amsterdam naar Nijmegen. Tijd om de balans op te maken, weg te dromen en vooruit te kijken.

 

Mijn co-schappen zijn begonnen, alweer bijna drie maanden ben ik een slaaf van mijn wekker. Uiteraard de wekker van mijn mobiele telefoon, want het is 2006, en wie gebruikt er dan nog een ouderwetse wekker? Niemand toch? En dus ook ik niet, want we gaan vooruit en ik ga mee. Mijn blik dwaalt naar buiten en mijn gedachten gaan terug naar vorige week.

 

Een vrouw in het ziekenhuis, 104 jaren oud, lijkt uit een ander leven, een andere wereld, een andere tijd. Als ze verteld over de eerste vliegtuigen op Schiphol, het dansen in de straten en de paard-en-wagens langs de grachten, komt er een glimlach op haar mond en dansen haar ogen van plezier! Indrukken uit haar jeugd, blijvende herinneringen die nu nog even krachtig zijn als toen. Het voelt alsof haar wereld echter was dan de onze, dieper ging dan dat wij nu gaan. En dat haar herinneringen daarom zo sterk verankerd zitten, dat ze ruim tachtig jaar later nog zo’n vreugde oproepen. Ik probeer me voor te stellen wat ik mij in 2086, tachtig jaar vanaf nu, nog zal herinneren van het afgelopen jaar. Zijn mijn emoties net zo puur als die van haar toen ze jong was? Ik vraag het me af.

 

De vooruitgang lijkt sneller te gaan dan onze evolutie kan bijbenen. Nieuwe indrukken, ontwikkelingen en emoties volgen elkaar in zo’n snel tempo op dat ik het niet meer bij kan houden. Voordat ik een prikkel heb verwerkt, staan de volgende drie alweer in de rij te dringen. Hierdoor worden we gedwongen tot vluchtige indrukken; kortstondig geluk, tijdelijk verdriet, snelle emoties. Wat op dit moment gebeurd, is het volgende moment alweer voorbij. En dat de dingen voorbijgaan is niet eens het ergste, maar dat we vergeten is veel erger. Als de dagen voorbijgaan zonder dat ze een blijvende indruk achterlaten, kunnen ze net zo goed niet plaatsvinden.

 

En zo vraag ik me af wat blijft van 2006 en wat we weer vergeten? Hebben we ons niet met zijn allen vreselijk opgewonden over een Nederlands gifschip dat zijn afval loost in Afrika? Hebben we niet met zijn allen de nachtelijke debatten over ijzeren Rita Verdonk gevolgd? En hebben we niet vier weken lang in elke krant en op elke tv-zender ‘onze’ politici aan het woord gezien?

O, wat was het allemaal belangrijk, wat schaamden we ons diep, en wat waren we het allemaal met elkaar eens. Totdat  de krant de oud-papierbak inging of de tv op stand-by. Dan zijn we alles weer vergeten. Als het erop aankomt interesseert het ons niets, veranderd het ons leven niet, en gaan we simpel door met onze eigen individuele vooruitgang.

 

Ik kijk uit het raam van de trein en zie een rij mensen voor een kraam oliebollen. Oud-Hollandsche, uiteraard met ‘sch’ geschreven voor het echt authentieke gevoel. Ik schat dat de achterste in de rij nog zo’n drie kwartier mag wachten voordat hij met zijn oud-Hollandsche bollen naar huis mag. We gaan vooruit, maar aan de andere kant staan we stil. Vijf-en-veertig minuten wel te verstaan, voor authenticiteit in een papieren zak! Kortdurend geluk, want met de laatste hap gaat ook het gevoel mee naar binnen. Om er morgen als één dampende massa weer uit te komen. En dan is het 2007 en mogen we weer een jaar lang rennen. Ik denk een laatste maal aan de oude dame en zie haar vredig in slaap vallen. Voor haar hoeft 2007 niet meer te komen…